FoToFoTo                                      

Engels in het basisonderwijs
FoTo staat voor Flankerend onderzoek Tweetalig primair onderwijs en is de naam van een langlopend  onderzoek dat is  gekoppeld aan de pilot tweetalig primair onderwijs (tpo), die dit schooljaar (2014-2015) van start is gegaan. Twintig scholen in Nederland zijn 30 tot 50% van hun onderwijstijd Engels als voertaal gaan gebruiken.

Onderzoek
Aan deze pilot is een vijfjarig onderzoek (FoTo) gekoppeld om de invoering en opbrengsten van deze in Nederland nieuwe onderwijsvorm te evalueren. De hoofdvraag hierbij luidt: hoe wordt het tweetalig primair onderwijs (tpo) vormgegeven en wat is het effect op het Engels en het Nederlands? De hierbij horende deelvragen zijn als volgt:

  1. Wat zijn de effecten van tpo op de Engelse en Nederlandse taalvaardigheid? Welke verschillen zijn er op deelvaardigheden tussen leerlingen die tpo volgen en leerlingen die dat niet doen?
    1. Zijn er verschillen tussen scholen en specifieke groepen leerlingen? Zo ja, welke factoren spelen een rol (bijv. taalachtergrond)?
    2. Ontwikkelt het Nederlands van tpo -leerlingen zich op een vergelijkbare manier als het Nederlands van leerlingen die geen tpo -programma volgen?
  2. Hoe ontwikkelen zich de verschillende deelvaardigheden van het Engels over de tijd?
  3. Wat is het effect van tpo op de rekenvaardigheid?
  4. Hoe geven scholen vorm aan tpo (bijv. qua opzet, toegankelijkheid, intensiteit en vaardigheden van leerkrachten)?
  5. Wat vinden leerlingen, ouders, leerkrachten, schoolleiders en bestuurders van tpo?

Leerlingen
Aan het onderzoek doet zowel een experimentele groep als een controlegroep mee. De experimentele groep bestaat uit twaalf scholen die in het schooljaar 2014-2015 begonnen zijn met tpo. De controlegroep wordt opgesplitst in een groep van twaalf scholen met vroeg vreemde talenonderwijs (vvto) en een groep van twaalf scholen zonder Engels-aanbod in de lagere groepen. De leerlingen die meewerken aan het onderzoek, die dit schooljaar (2014-2015) in groep 1 zitten, worden vijf jaar lang gevolgd (tot ze in groep 5 zitten).

Gegevens
Om de bovengenoemde onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, worden concreet de volgende gegevens verzameld:

  • Nederlandse taal- en rekenvaardigheid: toetsen uit het Cito-Leerlingvolgsysteem.
  • Spreek- en luistervaardigheden in het Engels (met name bij kinderen met tpo en vvto) met een aantal korte taakjes. Deze taakjes worden individueel door ervaren testleiders vanuit het project afgenomen.
  • Achtergrond van het kind: korte vragenlijst voor ouders (bijv. geboortedatum kind, thuistaal, blootstelling vreemde taal).
  • Attitude en motivatie van leerlingen: korte vragenlijst.

Wat levert het op?
De onderzoeksresultaten worden gebruikt om het beleid rondom tpo verder vorm te kunnen geven. Daarnaast kunnen scholen zelf de resultaten gebruiken om het tpo verder in te richten. Bovendien dienen de onderzoeksresultaten als input voor de verplichtingen van de scholen waar zij vanuit de pilot aan moeten voldoen, te weten:

  • het ontwikkelen van een leerplan voor tpo;
  • het ontwikkelen van een profiel voor tpo-leerkrachten;
  • het volgen van de ontwikkeling van het Nederlands van tpo-leerlingen;
  • de periodieke evaluatie van het tpo-programma op schoolniveau met een eindevaluatie aan het einde van het schooljaar.

Onderzoekers
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs door een consortium van onderzoekers afkomstig van ITS, Universiteit Maastricht, Radboud Universiteit, Expertisecentrum Nederlands en Universiteit Utrecht.

Contactpersoon: Evelien Krikhaar, Expertisecentrum Nederlands

Aanvullende informatie:

Primair onderwijs – Tweetalig onderwijs: FoTo, Engels in het basisonderwijs 2015