Interactief taalonderwijs: een vorm van taalonderwijs

Interactief taalonderwijs: opbrengsten voor achterstandleerlingen
Dit project was een grootschalig onderzoek naar de effecten van een gerichte en intensieve woordenschatinterventie op de woordenschatontwikkeling en beginnende geletterdheid van risicoleerlingen.Model_EN-1024x752

Het onderzoek richtte zich in het eerste jaar op kleuters uit groep 2 die werden gevolgd tot en met groep 3. In de kleutergroepen werden diverse taalactiviteiten uitgevoerd door de leerkrachten waarvoor prentenboeken het uitgangspunt vormden. De vooruitgang van de kleuters uit de interventiegroep werd vergeleken met die van kleuters die niet aan de interventie deelnemen. Deze groep vormde de zogenaamde controlegroep.

Met dergelijke onderzoeksprojecten wordt gekeken naar wat werkt in het onderwijs. Er werd met een groot aantal scholen samengewerkt. Het project werd mogelijk gemaakt door het ministerie van OCW en wordt uitgevoerd in het kader van het actieprogramma Onderwijs Bewijs.

Interactief taalonderwijs is ook een vorm van taalonderwijs, geïntroduceerd door het Expertisecentrum Nederlands waarin interactie centraal staat.

Interactief taalonderwijs kenmerkt zich door drie ‘pijlers’: het is betekenisvol, sociaal en strategisch.Het leren van taal wordt opgevat als een sociaal leerprocWebwinkeles.  et leren vindt plaats in contexten die voor kinderen belangrijk zijn en kinderen verwerven strategieën die hen leren hoe ze bepaalde taalproblemen op een efficiente manier kunnen oplossen. Voorbeelden van interactief taalonderwijs zijn te zien op de uitgaven van het Expertisecentra en in de vele andere uitgaven.

Interactief taalonderwijs gaat ervan uit dat kinderen taal het beste leren in een krachtige leeromgeving waarbij rekening wordt gehouden met de individuele verschillen en behoeften van kinderen. Bij het interactief taalonderwijs staat betrokkenheid en activiteit centraal. Het interactief taalonderwijs bestaat uit 3 manieren van leren: sociaal leren, betekenisvol leren en strategisch leren. Hieronder worden deze 3 “pijlers” uitgelegd.

Sociaal leren

Bij interactief taalonderwijs wordt het leren een sociaal proces. De kinderen leren van en met elkaar, door bijvoorbeeld samen te lezen, schrijven, de ander zien lezen, schrijven en reageren op elkaars werk. Kinderen kunnen elkaar hier goed bij helpen. Wanneer kinderen met elkaar samenwerken, leren zij altijd meer dan alleen. Kinderen kunnen elkaar helpen, elkaar aanvullen of elkaar op ideeën brengen. Door veel samen te werken leren de kinderen hun eigen kennis en werkwijze. Als je als leerkracht de kinderen op een goede manier wilt laten samenwerken, waarin iedereen zijn of haar steentje bijdraagt, dan zijn de vijf punten van coöperatief werken (samenwerken) ontzettend belangrijk:

1. Positieve wederzijdse afhankelijkheid
De kinderen hebben elkaar nodig om de opdracht goed te kunnen uitvoeren. Ze moeten naar elkaar luisteren en samen tot een oplossing komen.

2. Individuele verantwoordelijkheid
Ieder kind uit het groepje is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen inzet en bijdrage.

3. Directe interactie
Kinderen praten en overleggen veel met elkaar om samen tot een oplossing te komen. Het is belangrijk dat de kinderen goed naar elkaar luisteren en op elkaar reageren.

4. Samenwerkingsvaardigheden
Het is belangrijk dat de kinderen weten hoe ze op elkaar moeten reageren, hoe ze naar elkaar moeten luisteren, hoe je op de beste manier kunt samenwerken etc.

5. Evaluatie
Het is belangrijk dat de kinderen in hun groepje terug kijken op het proces van hun samenwerking. Op deze manier worden de kinderen bewust van wat er goed ging tijdens de samenwerking en wat de volgende keer eventueel nog anders kan.

Samenwerking tussen leerlingen wordt dus sterk bevorderd. Leren van en met elkaar levert meer op dan individuele verwerkingslesjes. Naast interactie tussen leerkracht en klas is er veel ruimte voor interactie tussen leerlingen onderling.

Betekenisvol leren

Bij interactief taalonderwijs gebruik je als leerkracht contexten die voor kinderen belangrijk zijn, waardoor je de kinderen stimuleert in hun activiteit. Betekenisvol leren betekent dat leren een actief proces is, waarin kinderen hun eigen kennis construeren.

Het is de taak van de leerkracht om een betekenisvolle context te creëren. Dit kun je het beste doen door gebruik te maken van een anker. Een anker kan van alles zijn: een verhaal, film, nieuwsbericht, voorwerp, etc. Aan de hand van je ingebrachte anker gaan de kinderen verschillende vervolgactiviteiten ondernemen, waarin zij praten, ontdekken en leren. Een anker moet de kinderen wel boeien en hen uitdagen om vragen te stellen. Om die antwoorden te vinden, stimuleer je als leerkracht de kinderen om gebruik te maken van verschilende materialen/informatie.

Lesjes worden in principe nooit ‘los’ gegeven. Er wordt gewerkt met aansprekende thema’s. Alle oefeningen, opdrachten etc. passen binnen deze contexten. Ook de zinnen binnen de opdrachten vertonen samenhang. Er wordt zo mogelijk geprobeerd om de geleerde vaardigheid of kennis toe te passen in een echte situatie. In het voorbeeld gaat het dan ook om een echte brief. (In een voorafgaande les hebben de kinderen een persoon uitgekozen aan wie ze wilden schrijven en vervolgens de envelop al geschreven.)

Strategisch leren

Bij interactief taalonderwijs maken de kinderen zich strategieën eigen. De kinderen leren hoe je bepaalde taalproblemen kunt oplossen. De leerkracht stimuleert de kinderen hierin door de kinderen hardop te laten nadenken en daar feedback op te geven. Op deze manier weten de kinderen meteen wat goed gaat en wat minder goed gaat.
Het verwerven van cognitieve strategieën (het vinden van de hoofgedachte in de tekst) en van metacognitieve strategieën (plannen en bewaken van het eigen leesgedrag) en de reflectie daarop, verloopt voor een deel vanzelf. Voor een ander deel is duidelijke instructie nodig van de leerkracht. Vooral kinderen die moeite hebben met leren hebben hulp en aanwijzingen van de leerkracht nodig.

Tenslotte wordt er geprobeerd om de kinderen strategieën mee te geven, zodat ze het geleerde in latere situaties ook kunnen toepassen. Strategieën leer je voor alle domeinen: Hoe pak ik een bepaalde spreektaak aan? Of hoe kom ik achter de betekenis van een woord? Hoe schrijf ik een brief?